Informatie

Alle informatie pagina resultaten

Collectie

Alle collectie resultaten
Verouderde browser

We zien dat je een verouderde browser hebt. Het kan zijn dat deze site daardoor niet goed weergegeven wordt. We adviseren je om je browser te updaten, indien mogelijk, naar de laatste versie.

Sluiten

Grondig werk

U heeft het vast weleens meegemaakt: een lege pagina of leeg computerscherm staart u aan, en aan u de schone taak om daarop een kunstwerk – of een blogpost – tevoorschijn te toveren. Stelt u zich eens voor hoe Vermeer voor het doek zat dat uiteindelijk het Meisje met de parel zou worden.

Wat is de eerste stap om van een doek een drager te maken die geschikt is voor een schilderij? Allereerst wordt het linnen voorbewerkt met een grondering: de grondlaag. Zonder grondering zou het doek de verf absorberen en zou het oppervlak te grof zijn om op te kunnen schilderen.

Vermeer prepareerde het doek waarschijnlijk niet zelf. Dat was het werk van vaklui, de zogenaamde witters. Historisch bewijs laat zien dat zeventiende-eeuwse kunstenaars gegrondeerd doek konden kopen in Amsterdam, Rotterdam en mogelijk Delft (waar Vermeer woonde).

Fol. 5r, T.T. de Mayerne, De Mayerne Manuscript (1620-1646), Sloane MS 2052, British Library. In de marge noteerde De Mayerne dat het blad van het grondeermes een voet lang was!
Grondeermessen in het Rembrandthuis, Amsterdam

De arts Théodore de Mayerne stelde in de eerste helft van de zeventiende eeuw een manuscript samen (tegenwoordig in de collectie van de British Library) dat onze belangrijkste bron is voor hoe witters doeken grondeerden. Ze spanden het doek op een rijgraam, streken oneffenheden glad, haalden losse draden weg en bedekten het doek met een laag dierlijke lijm. Vervolgens werd met een gekromd grondeermes de grondering op het doek aangebracht – een lichte laag van pigmenten in olie (meestal in een beige, witte of grijzige kleur). De Mayerne maakte zelfs een tekening van het mes, dat erg lijkt op deze historische exemplaren die ik in het Rembrandthuis tegenkwam.

Moderne reconstructie van een doek dat op een raam is geregen, gezien vanaf de achterkant. Op de plekken waar de touwtjes aan het doek zijn bevestigd kunnen spanguirlandes ontstaan. Het doek was tijdens het aanbrengen van de grondering waarschijnlijk op deze manier opgespannen.

Röntgen. Spanguirlandes aangegeven met rode lijnen. Arceringen gemaakt tijdens het aanbrengen van de grondering aangegeven met een gele lijn. Diagram: Moorea Hall-Aquitania

Op de röntgenfoto van het Meisje met de parel zien we dat dit schilderij op dezelfde manier is geprepareerd. Het doek was tijdens het aanbrengen van de grondering waarschijnlijk in een houten raam geregen (eenzelfde soort als in afb. 8c). De vervormingen (spanguirlandes) langs de randen van de foto komen overeen met de plekken waar de touwtjes aan het doek waren bevestigd (de stippen op afb. 8d). Als de witter het doek opspande, trok het touw aan deze punten en ontstonden er vervormingen langs de randen van het doek. De röntgenopname van het Meisje laat boogvormige streken zien waar de grondering dik met het grondeermes is aangebracht, vooral in de linker benedenhoek.

Na het aanbrengen van de grondering werd het doek van het rijgraam gehaald en overgespannen op een spanraam: een rechthoek van vier houten latjes. We weten niet of Vermeer het doek eigenhandig op het raam heeft bevestigd. Weinig zeventiende-eeuwse doeken zitten na 450 jaar nog op hun originele spanraam. Eén schilderij van Vermeer – De gitaarspeelster – vormt hierop een uitzondering. De uiterste randen van het doek (de spijkerranden) werden om de zijkanten van het spanraam geslagen en ‘vastgespijkerd’ met houten pennen.

Verso: Johannes Vermeer, The Guitar Player, c. 1672, Kenwood House, London, Copyright: English Heritage Trust.
Verso: Meisje met de parel

Bovenste rand van The Guitar Player, c. 1672, Kenwood House, London, Copyright: English Heritage Trust.

Een paar eeuwen aan ingrepen en restauraties later ziet de achterzijde van het Meisje met de parel er anders uit dan die van De gitaarspeelster. Zoals ik in Blog #4 vertelde, is het werk bedoekt: aan de achterkant van het oorspronkelijke doek is een steundoek gehecht, en het spanraam werd vervangen. Als we het Meisje omdraaien zien we dus de achterkant van het bedoekingslinnen en een modern raam met kruislatten.

Verpulverde skeletjes

Verfdwarsdoorsnede 19/4048 van de achtergrond, 400x vergroting. Links: bright field / Rechts: UV. De onderste laag van het verfmonster is de grondering. Links is een groepje ronde coccolieten te zien. UV fluorescentie maakt ze nog zichtbaarder. Curtain viewer: Rob Erdmann. Bekijk de afbeeldigen in de curtain viewer.

Het manuscript van De Mayerne bevat een aantal recepten voor gronderingen, waarvan de meeste loodwit bevatten, gecombineerd met een beetje omber en/of houtskool in olie. Dwarsdoorsneden van monsters uit het Meisje met de parel laten zien dat de grondering loodwit en aardepigmenten bevat (rode en gele oker, wat omber) – plus behoorlijk wat krijt. Binnenkort kom ik uitgebreid op deze pigmenten terug, maar hier alvast iets over krijt. Krijt wordt gewonnen uit de aarde en door heel Europa zijn afzettingen te vinden. Het is een soort kalksteen dat geheel bestaat uit microscopische kalkskeletjes van algen. Als deze skeletjes worden verpulverd ontstaat er een fijn wit poeder. Als ze intact blijven, blijft hun ronde vorm zichtbaar, zoals links op de dwarsdoorsnede in afb. 8h. In de Vermeers grondering is krijt mogelijk toegevoegd als vulstof.


Detail, Johannes Vermeer, The Art of Painting, Kunsthistorisches Museum, Wenen: Google Art Project.

De grondlaag van het Meisje is licht beige-grijs van kleur, ongeveer 200 micrometer dik (0,2 mm) en helemaal tot de uiterste randen van het oorspronkelijke doek aangebracht. Stelt u zich nog eens voor hoe Vermeer voor zijn schildersezel gezeten moet hebben, starend naar het lege doek dat was voorzien van een lichte, grijs-beige grondering. Misschien leek hij op de schilder in dit detail van De schilderkunst (1666-1668). Hoe begon hij zijn compositie? We ontdekken het morgen. 

Referenties

  • De Mayerne, Theodore Turquet (1620-1646) ‘De Mayerne Manuscript’: Pictoria, sculptoria et quae subalternarum atrium, Sloane MS 2052, British Library 
  • Costaras, Nicola (1996) ‘A study of the materials and techniques of Johannes Vermeer.’ In: Vermeer Studies: Studies in the History of Art, edited by Ivan Gaskell and Michiel Jonker, National Gallery of Art, Washington D.C., Yale University Press, New Haven/London, pp. 145-167.
  • Stols-Witlox, Maartje (2017) A Perfect Ground: Preparatory layers for oil paintings 1550-1900, Archetype, London.

Dankbetuiging

  • Alice Tate-Harte, English Heritage
  • René Gerritsen Kunst en Onderzoeksfotografie
  • Rob Erdmann (Rijksmuseum / Universiteit van Amsterdam)
  • Ellen Nigro
 

Blijf op de hoogte