Informatie

Alle informatie pagina resultaten

Collectie

Alle collectie resultaten
Verouderde browser

We zien dat je een verouderde browser hebt. Het kan zijn dat deze site daardoor niet goed weergegeven wordt. We adviseren je om je browser te updaten, indien mogelijk, naar de laatste versie.

Sluiten

Pas op, natte verf!

Hoe maakte Vermeer de verf die hij voor het Meisje met de parel gebruikte? Zoals de meeste zeventiende-eeuwse Hollandse meesters werkte hij met olieverf. Verf bestaat uit pigmenten (gekleurd poeder) die met een bindmiddel worden gemengd tot een dikke, zachte pasta. In de komende blogs nemen we de pigmenten onder de loep waarmee Vermeer verschillende kleuren maakte, en ontdekken we waar die vandaan kwamen. Maar nu eerst iets over olie.

Olie in de zon

Als bindmiddel voor de verf van het Meisje is lijnolie gebruikt, wat wordt gemaakt van de zaden van de vlasplant. Zoals ik al vertelde in mijn blog over doeken werd schilderslinnen gemaakt van vlasstengels, en werd uit de zaden van het plantje (lijnzaden) olie geperst.


Vlas (achteraan) / lijnzaad (linksvoor) / lijnzaadolie (voor in het midden) / restproduct: lijnkoeken die gebruikt worden voor veevoer (rechtsvoor). Afbeelding: Wikipedia

Met Gaschromatografie-Massaspectrometrie (GC-MS) hebben we in monsters van het Meisje lijnolie geïdentificeerd. Opmerkelijk genoeg liet GC-MS zien dat de olie in de achtergrond ook een kleine hoeveelheid raapzaadolie bevat. Er is nog niet veel bekend over het gebruik van raapzaadolie in schilderijen; het wordt niet genoemd in historische recepten. Het ligt niet voor de hand dat Vermeer de raapzaadolie zelf toevoegde. Misschien was het koolzaad een besmetting van lijnzaadolie, omdat windmolens waarschijnlijk werden gebruikt om olie uit verschillende bronnen te persen.

In Nederland werd in de zeventiende eeuw lijnzaad gewoonlijk met een windmolen geperst. Bij oliemolen Het Pink is nog te zien hoe dit in zijn werk ging:



Ik heb ooit bij Het Pink wat lijnolie gekocht om verf mee te maken en die eerst een jaar lang in een open bakje op de vensterbank laten staan. Een tijdje in de zon komt de eigenschappen van olie als bindmiddel ten goede, en wel om twee redenen: de kleur van de olie verandert van bruinig naar lichtgeel – positief voor de uiteindelijke kleur van de verf – en de olie dikt in, waardoor die kleveriger wordt.


Lijnzaadolie van oliemolen Het Pink. Links: pas gekocht / Rechts: na een jaar in een open bakje op de vensterbank


Het lijkt erop dat Vermeer een bepaald soort olie kocht – of misschien zelfs maakte – waarmee hij de dikte en droogtijd van zijn verf kon bepalen. Analyse met GC-MS laat zien dat de olie licht gepolymeriseerd is. Verhitting tot hoge temperatuur (zo’n 300°C, meestal met toevoeging van siccatieven) veranderde de eigenschappen van olie, waardoor die gladder en glanzender werd, gemakkelijker om mee te schilderen en mogelijk ook sneller droogde.

Drogende olie

Lijnolie is – anders dan olijfolie of plantaardige olie – een ‘drogende olie’, wat betekent dat die na droging een sterke, elastische film vormt. Verwerkt in olieverf is de droogtijd afhankelijk van de pigmenten die zijn toegevoegd. In zijn zeventiende-eeuwse ‘handleiding voor schilders’ nam Theodore de Mayerne een lijst op met de droogtijden van pigmenten, waaronder het aardepigment omber (2-3 uur) en verschillende soorten lak (5-6 dagen).

Wie ooit een olieverfschilderij heeft gemaakt weet dat de verf niet onmiddellijk droogt. Minuten, soms zelfs uren nadat de verf is aangebracht kan die nog met de penseel worden bewerkt. Doordat olieverf zo langzaam droogt, kon Vermeer de kleuren in het Meisje zich met elkaar laten vermengen en de verf na het aanbrengen nog manipuleren. Voor de subtiele overgang van licht naar schaduw, bijvoorbeeld langs de haast doorschijnende huid van haar wang, mengde hij de natte verf met een zacht, droog penseel op het doek. 


Subtiele overgang van licht naar schaduw in het gezicht van het Meisje. Foto: Margareta Svensson.


Maar Vermeer liet andere verflagen juist goed drogen voordat hij eroverheen schilderde. In de meeste dwarsdoorsneden is een duidelijke scheiding te zien tussen de onderste en de bovenste verflagen.

Zonder een beetje hulp van siccatieven zou het een eeuwigheid duren tot sommige kleuren verf waren uitgehard, wat het onmogelijk zou maken om verschillende lagen over elkaar aan te brengen. Theodore de Mayerne wees erop dat zwarte verf zelfs nooit droogt als er geen siccatief aan was toegevoegd. In monsters uit het Meisje die met SEM-EDX zijn geanalyseerd is in een aantal van zijn donkere verven lood aangetroffen (het zware metaal). Mogelijk is lood voor of tijdens de verhitting aan de olie toegevoegd om het drogen te versnellen.


Verfmonster 11/4042, 400x vergroting, UV. Dunne lagen (aangegeven met pijlen) tussen de verflagen fluoresceren in UV. De samenstelling wordt momenteel onderzocht.

Olie + pigment =verf

Vermeer kon geen tubes kant-en-klare verf in de winkel kopen. Hij (of zijn assistent) wreef een mengsel van pigment en olie met een loper op een steen tot een dikke, zachte pasta. Elk pigment vereiste een andere hoeveelheid olie; om verf te kunnen maken was veel oefening en ervaring nodig.


Lopers en plaat om verf te malen 


Pas in de negentiende eeuw werd er een patent op de verftube verstrekt. In Vermeers tijd werd verf in kleine hoeveelheden gemaakt en bewaard in een afgedekt potje of de blaas van een dier. Als de kunstenaar de verf nodig had, prikte hij met een naald een gaatje in de blaas en kneep hij een klodder op zijn palet.


Verf in een afgesloten potje en in een dierenblaas


In mijn blogpost van morgen gaan we op zoek naar waar Vermeer zijn schildersmaterialen kocht.

Referenties

  • Oliemolen Het Pink in Koog aan de Zaan.
  • Oil paint (Wikipedia)
  • Gifford, E. Melanie and Lisha Deming Glinsman (2017) ‘Collective style and personal manner: Materials and techniques of high-life genre paintings.’ In: Vermeer and the masters of genre painting: Inspiration and rivalry, Adriaan E. Waiboer et al. (eds.), Yale University Press.  

Dankbetuiging

  • Onderzoek, olie: Indra Kneepkens (Universiteit van Amsterdam)
  • Bindmiddelanalyse (GCMS 1994-96): W.G. Th. Roelofs (Centraal Laboratorium (nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE)); (PY-TMAH- GCMS and DTMS, 1996): Inez D. van der Werf, Klaas Jan van den Berg and Jaap Boon (FOM Institute for Atomic and Molecular Physics (AMOLF))
  • Bindmiddelanalyse (PY-TMAH-GCMS and DTMS, 1994-96): W.G. Th. Roelofs (Centraal Laboratorium (nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE)); Jaap Boon (FOM Institute for Atomic and Molecular Physics (AMOLF))
  • SIMS analyse van dunne lagen: Anne Bruinen en Ron Heeren (Maastricht University)

Blijf op de hoogte