Jan Steen

'Het zieke meisje'

167 detail signatuur
167 achterzijde
167 ingelijst
167 voorzijde
167 voorzijde

Jan Steen
'Het zieke meisje'

1660 Te zien in Zaal 14

Een van Jan Steens lievelingsonderwerpen was het doktersbezoek of het zieke meisje. Het is een humoristisch onderwerp waar Steen goed mee uit de voeten kon.

Een kwijnende jonge vrouw wordt onderzocht door een arts. Hij wordt in de maling genomen, want het meisje veinst te lijden aan een op drift geraakte baarmoeder. Artsen namen deze ziekte indertijd heel serieus en kenden maar één remedie: de zieke moest naar bed met haar geliefde. En daar is het dit meisje om te doen.

Technische details
167 voorzijde

Jan Steen
'Het zieke meisje'

1660 Te zien in Zaal 14

Naar boven

Er is geen onderwerp dat Jan Steen zo vaak heeft uitgebeeld als ‘het doktersbezoek’, ofwel ‘het liefdeszieke meisje’. In meer dan twintig voorstellingen heeft hij een kwijnende jonge vrouw weergegeven die de dokter ontvangt in haar chique slaapkamer.1 Steen schilderde zijn ‘doktersbezoeken’, die thematisch verwant zijn aan de taferelen met boerenkwakzalvers uit zijn vroege jaren, vanaf de late jaren 1650 (vgl. inv.nr. 168). Mogelijk had hij zich daarbij laten inspireren door zijn Leidse schildersvriend Frans van Mieris de Oude. Van Mieris schilderde in 1657 misschien wel de vroegste, in de betere kringen gesitueerde ‘doktersvisite’ (Wenen, Kunsthistorisches Museum).2 In elk geval lijkt het onderwerp – dat door Steen populair is geworden en dat ook door onder anderen Gabriël Metsu, Jacob Ochtervelt, Godfried Schalcken en Samuel van Hoogstraten werd verbeeld – in Leiden te zijn ontstaan. Daar schilderde Gerrit Dou begin jaren 1650 zijn verwante ‘piskijkers’, ongetwijfeld een bron van inspiratie voor Steen en Van Mieris.3 Geen van Steens ‘doktersbezoeken’ is echter gedateerd, zodat aanvang en chronologie van zijn reeks (die vermoedelijk tot eind jaren 1660 dateerbaar is) niet met zekerheid bepaald kunnen worden. Hoewel het hier beschreven schilderij doorgaans in de vroege jaren 1660 wordt gedateerd, dus kort na Steens verhuizing naar Haarlem, zouden de verfijnde schilderwijze en de schitterende stofweergave wellicht toch op een wat vroeger ontstaan kunnen duiden.4 Het lijkt niet onmogelijk dat het al aan het eind van de jaren 1650 is ontstaan, toen de schilder in Warmond bij Leiden woonde en hij in kringen van de Leidse fijnschilders verkeerde (zie ook inv.nr. 818).5

In Steens ‘doktersbezoeken’ ligt de zieke in haar hemelbed of zit zij zoals hier op een stoel, nog net in staat een slap handje op te houden om de geneesheer haar pols te laten voelen. Al deze voorstellingen draaien om de minnepijn, soetepijn of minnekoorts waaraan de patiënte lijdt.6 Door gefrustreerde liefde is zij ziek geworden, hetgeen naar de toenmalige wetenschappelijke inzichten kon leiden tot een scala aan gynaecologische en psychische aandoeningen. Zo kon bij ernstige gevallen het bloed bederven, de baarmoeder ‘oververhit’ en zelfs in het lichaam op drift raken (furor uterinus), een potentieel levensbedreigende toestand. Zo’n meisje moest snel trouwen en het bed delen met haar geliefde, de enig afdoende remedie. ‘Hier baet geen medecyn, want het is minnepijn’ is het opschrift dat Steen in vier van zijn doktersscènes heeft opgenomen.7

Dat het enige medicijn tegen liefdespijn de veroorzaker zelf is, was in de zeventiende eeuw een vertrouwde notie. Niet alleen werd deze therapie in veel contemporaine medische publicaties aanbevolen, ook kende men die van voorbeelden in toneelvoorstellingen en literatuur. Het motto van een embleem van Otto van Veen uit 1608 luidt: ‘Amans Amanti Medicus’, de geliefde is de dokter van de geliefde.8 Afgebeeld is een zieke cupido die in bed ligt, getroffen door een pijl in het hart en terzijde gestaan door een dokterende cupido die gelijktijdig piskijkt en polsvoelt. Hoewel furor uterinus en aanverwante liefdesaandoeningen in de medische wetenschap serieus werden genomen, was het Steen vanzelfsprekend om de vermakelijke kanten ervan te doen. Die werden ook in diverse toneelvoorstellingen, komische verhalen en moppenboeken breed uitgemeten.9 Verliefde meisjes konden, met hulp van hun dienstmeid, de ziekte veinzen om hun weerspannige vaders te dwingen toestemming te geven voor een huwelijk. De sullige dokter heeft natuurlijk niet door dat hij voor de gek wordt gehouden. Ook kon het voorkomen dat het getroffen meisje al op de zaken was vooruitgelopen, met alle gevolgen van dien. In één doktersscène van Steen maakt een opschrift dit duidelijk: ‘Als ik mij niet verzind, is deze Meid met kind’.10

In Steens schilderijen is de ‘dokter’ steevast een schertsfiguur die is uitgedost in volledig verouderde kledij.11 Hier draagt de oude man een hoge hoed en een wambuis met korte insnijdingen, eenzelfde uitdossing als Steens tandentrekker die op een markt een boerenjongen te grazen neemt (inv.nr. 165). Het personage van de dokter-kwakzalver is als het ware naar de betere kringen verhuisd. Met zijn handschoenen in de hand en mantel over de schouder wekt hij de indruk net binnen te zijn gelopen in de chique kamer, waar hij onverwijld de pols van zijn patiënte heeft vastgepakt.12 Al in de klassieke literatuur werd de pols beschouwd als belangrijke graadmeter van de toestand van het hart; bij de aanblik van de geliefde zou de pols sneller gaan kloppen. Steen gebruikte het motief in meer dan de helft van zijn doktersscènes.13 Om tot een diagnose te komen zal de ‘dokter’ ook nog de urine van de zieke bestuderen, al is het urinaal nog niet uit de rieten korf gehaald die op de grond staat. De uroscopie, hoewel van oudsher een serieuze medische onderzoeksmethode, was in de zeventiende eeuw steeds meer in een kwaad daglicht komen te staan. Zo was het urinaal, ook in diverse contemporaine toneelstukken, het vaste attribuut van de kwakzalver geworden, net als diens pompeuze uitdossing in ouderwetse ‘langhe tabbaerts’.14 Terugkerend motief in Steens dokterstaferelen is verder de stoof en het vuurtestje met brandende kooltjes, met daarbij een smeulende veter of lint.15 Met behulp van de stank van brandend textiel kon men een flauwgevallen vrouw bijbrengen of soms zelfs een zwangerschap vaststellen. Ook kon de arts proberen met een smeulende veter een in het lichaam dolende baarmoeder terug op zijn plaats te drijven; al sinds de Egyptenaren liet men daartoe vrouwen kwalijk riekende geuren inademen.

In tegenstelling tot de dokter is de patiënte op Steens schilderij in eigentijdse kleding gehuld. Zij draagt een elegant jakje van blauw fluweel, afgezet met wit bont. Zeer modieus is de zogenaamde ‘mouche’ op haar slaap: een stukje opgeplakt zwart textiel dat diende om de blankheid van de huid mooi uit te laten komen.16 In het verleden werd dit kennelijk aangezien voor een beschadiging en weggeretoucheerd; tijdens de restauratie in 2010 kwam de mouche weer tevoorschijn. Een van haar muiltjes ligt vóór haar op de grond.17 De dienstmeid kijkt toe en heeft de rode gordijnen van het hemelbed al opzij geslagen, terwijl een andere vrouw het haardvuur in de ziekenkamer opstookt. Links op de marmeren schouw staat een beeldje van een cupido die zijn liefdespijl demonstratief omhooghoudt, ook een regelmatig terugkerend motief in Steens ‘doktersbezoeken’.18 Op de voorgrond kijkt een schoothondje geïnteresseerd toe. Hij vertegenwoordigt waarschijnlijk de afwezige minnaar van de zieke. De stof van het blauwe kussen waarop hij ligt is wat versleten zodat er een klein gat is ontstaan bij de hoek, een alledaags detail waarvoor Steen een bijzonder oog had. Op Steens Doktersbezoek in het Wellington Museum te Londen komt vrijwel hetzelfde hondje in een vergelijkbare houding voor.19 Daar heeft het dier een halsband met een hartje om zijn nek, dat zijn amoureuze rol nog eens benadrukt. Op dit werk hangt aan de wand een schilderij met een voorstelling van de liefdesgeschiedenis van Venus en Adonis, gebaseerd op een illustratie van Ovidius’ Metamorfosen door Antonio Tempesta uit 1606.20 Ook is linksboven Frans Hals’ Peeckelharingh herkenbaar, de nar die de menselijke zotheid becommentarieert.21 Cupido is in deze doktersscène van Steen een jongetje van vlees en bloed geworden. Hij staat op het punt een van zijn pijlen op ons, de toeschouwers, te richten, zodat wij ook een rol spelen in de weergegeven klucht. Zo varieert de schilder in zijn dokterscènes telkens met dezelfde of vergelijkbare motieven. Op het schilderij in de vergulde lijst boven de schouw is op ‘Het zieke meisje’ in het Mauritshuis een steigerend paard te onderscheiden, maar wat het precies voorstelt valt niet te zien.22

Infraroodonderzoek heeft enkele interessante pentimenti in de voorstelling aan het licht gebracht. Rechtsvoor op de houten vloer had Steen, in plaats van het hondje, aanvankelijk een geopende beddenpan geschilderd; een motief dat hij vaker in zijn dokterstaferelen toepaste (zie infraroodreflectogram).23 Zo’n beddenpan was in dit verband eveneens toepasselijk geweest; gevuld met gloeiende kolen kon deze immers het bed verwarmen, waarin het liefdeszieke meisje zo snel mogelijk terecht moest komen met haar minnaar. Ook werd met de infraroodcamera zichtbaar dat het cupidobeeldje op de schouw niet was uitgespaard in de achtergrond. Het lijkt pas op een later moment in het schilderproces te zijn toegevoegd, ongetwijfeld om de betekenis van de voorstelling kracht bij te zetten.

Uitzonderlijk is het overhoekse perspectief dat Steen in dit schilderij heeft proberen toe te passen. Meestal gaf hij een kamer als een imaginaire kijkdoos weer, met de achterwand parallel aan het beeldvlak. Hier kijken we schuin door de kamer naar de hoek tussen de twee wanden, waar linksboven een schilderij met een avondlandschap te zien is. Bij dit perspectiefsysteem is er geen sprake van één centraal verdwijnpunt, maar zijn er twee verdwijnpunten links en rechts op een denkbeeldige horizonlijn in of buiten de voorstelling. Steen heeft dit perspectief zeer slordig toegepast en had kennelijk moeite om de ruimtelijke illusie op orde te krijgen. Zo loopt de vloer op de voorgrond veel te schuin af. Waarschijnlijk om dit te verhullen heeft Steen op die plek later het hondje toegevoegd. Door de dokter precies op de scheidslijn tussen de twee wanden te schilderen heeft hij de problemen die hij met het perspectief had handig weten te bedekken.24

Het zieke meisje is een ambitieus schilderij van Steen, die rechtsvoor zijn signatuur heeft geplaatst, als ware die in de houten vloer gesneden. Steen heeft gekozen voor een ingewikkelde perspectiefconstructie en zijn best gedaan op de schitterende stofweergave en op het contrastrijke koloriet. Kenmerkend voor de schilder tenslotte is de aandacht voor afzonderlijke stillevenelementen zoals het rieten korfje, de kussen met het hondje, het vuurtestje en het losse muiltje.

 

Detailgegevens

Algemene informatie
Jan Steen (Leiden 1626 - 1679 Leiden)
'Het zieke meisje'
1660
schilderij
167
Zaal 14
Materiaal en technische gegevens
olieverf
paneel
46,2 x 57,7 cm
Opschriften
rechtsonder: JSteen.
JS ineen

Herkomst

Govert van Slingelandt, Den Haag, in of voor 1752; zijn weduwe, Agatha Huydecoper, Den Haag, 1767-1768; veiling Van Slingelandt, Den Haag, 18 mei 1768 (Lugt 1683), nr. 34; de gehele verzameling verkocht aan prins Willem V; prins Willem V, Den Haag, 1768-1795; in beslag genomen door de Fransen, overgebracht naar het Muséum central des arts/Musée Napoléon (Musée du Louvre), Parijs, 1795-1815; Koninklijk Kabinet van Schilderijen, gehuisvest in de Galerij Prins Willem V, Den Haag, 1816; overgebracht naar het Mauritshuis, 1822