Jan Steen

‘Het oestereetstertje’

818 voorzijde
818 detail signatuur
818 achterzijde
818 ingelijst
818 voorzijde
818 voorzijde

Jan Steen
‘Het oestereetstertje’

c. 1658-1660 Te zien in Zaal 14

Jan Steens schilderijen bezitten vaak een vleugje erotiek. Hier kijkt een jonge vrouw ons schalks aan, terwijl ze een oester klaarmaakt. Oesters staan bekend als een lustopwekkend middel. Dit meisje lijkt dus meer te willen dan lekker eten alleen.

Dit kleine schilderijtje is bedoeld om van dichtbij te bekijken. Steen schilderde hier dan ook heel precies en fijn, zoals bij het zilveren dienblad met het brood en zout. Of het modieuze jasje met aaibaar bont en fluweel.

Technische details
818 voorzijde

Jan Steen
‘Het oestereetstertje’

c. 1658-1660 Te zien in Zaal 14

Naar boven

Jan Steen schilderde een breed scala aan onderwerpen maar had ook duidelijke voorkeuren, zoals voor jonge vrouwen. Een prachtig voorbeeld is ‘Het oestereetstertje’, het kleinste schilderij uit zijn oeuvre.1 Lief kijkt het meisje ons aan terwijl zij met haar pink in de lucht zout strooit op een oester, die zij met een glimlachje aanbiedt. Over een hemd dat is versierd met een randje kloskant draagt ze een met wit bont afgezet, roodfluwelen jakje. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd zo’n kledingstuk, dat oorspronkelijk alleen als huisdracht werd gedragen, veel weergegeven door Steen en zijn collega-schilders.2 Het comfortabele dameskledingstuk draagt bij aan de intieme sfeer van een voorstelling, door de illusie dat ons een blik in een huiselijke wereld wordt gegund; bovendien bood het de kans aan een schilder om te laten zien hoe goed hij was in stofuitdrukking. Om haar hoofd heeft het meisje een lichtblauwe haarband met daarop een kunstige strik. Speelse krulletjes vallen uit het strak naar achteren gebonden haar op het blozende gezicht. Op de tafel voor haar is een bijzonder fijn geschilderd stilleven te zien: enkele geopende oesters, een zilveren schaal met daarop een puntzakje peper, zout, een half broodje en een mes, een glas witte wijn en een Delfts blauwe kruik.3 In de keuken op de achtergrond snijdt een man onder toeziend oog van een vrouw nog meer oesters open; aan de wand hangt een landschapje en in de betegelde haard brandt een vuurtje.

Oesters golden en gelden nog steeds als een afrodisiacum, een lustopwekkend middel.4 De arts Johan van Beverwijck beschreef deze lekkernij in zijn populaire medische handboek uit 1651 als ‘delicaetste’ van alle schelp- en schaaldieren.5 Jacob Cats waarschuwde in zijn Houwelick tegen het gebruik van ‘minnekruyden’, waaronder het ‘siltigh oestersap’.6 Zo lijkt het meisje niet alleen de oester, maar ook zichzelf aan de kijker aan te bieden. Het zout waarmee zij kwistig strooit werd eveneens als lustopwekkend beschouwd, omdat ‘het in de mans de lenden oock wacker maekt’ en het ‘door sijn warmte en scherpigheydt de lust tot byslapen ontsteekt’, zoals Van Beverwijck veronderstelde.7 Een oester is van zichzelf al ziltig maar de jonge vrouw maakt het hapje én de dubbelzinnige boodschap extra pittig. Het met gordijnen afgesloten hemelbed op de achtergrond bevestigt de amoureuze sfeer van de voorstelling; het is naast tafel en stoel het enig weergegeven meubelstuk in de summier aangeduide voorkamer. Hoewel in de zeventiende eeuw de verschillende functies van een woonhuis nog niet zo strikt waren gescheiden als tegenwoordig en de weergave van een bed in een woonvertrek niet per se dubbelzinnig bedoeld hoeft te zijn, lijkt dit in Steens oeuvre vrijwel altijd wel het geval.8

Steen strooide in zijn taferelen met losbandige figuren regelmatig wat oesterschelpen op de grond of op tafel (vgl. inv.nr. 742), maar zelden spelen oesters de hoofdrol, zoals in dit werk. Een ander voorbeeld is zijn Oestermaaltijd (Londen, National Gallery), waar de erotische betekenis nog explicieter aanwezig is: op de voorgrond biedt een man een dame een van de oesters aan die een meid en een knecht aan het bereiden zijn, terwijl op de achtergrond een stelletje op het punt staat in een hemelbed te stappen.9 Op een Oestermaal van Steen uit 1660 (voorheen collectie Earl of Lonsdale) en een enigszins aangepaste tweede versie uit 1661 (Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen) bereidt een oude koppelaarster oesters die bestemd zijn voor een lachende man aan tafel (Jan Steen zelf), die zout neemt uit een groot zilveren zoutvat en een glas wijn krijgt aangeboden door een jonge vrouw.10 In de variant te Rotterdam – met het opschrift ‘Soo gewonne, soo verteert’ op de schouw – is hij de opbrengst aan het verbrassen van het triktrakspel dat in een vertrek op de achtergrond wordt gespeeld. Om de boodschap te onderstrepen staat op de rijk gedecoreerde schouw een beeld van Vrouwe Fortuna, met één voet op een dobbelsteen en een windvaan in de handen. Op de eerste versie uit 1660 is de verwijzing naar de liefde in de voorstelling wat explicieter, doordat in het achtervertrek een verliefd paartje wandelt. Het leven van de mens uit het Mauritshuis (inv.nr. 170) gunt ons vanachter een omhoog getrokken gordijn een blik op de drukke gelagkamer van een herberg, waar oesters een belangrijke rol spelen; ook daar heeft het aanbieden van een geopende oester een duidelijk amoureuze betekenis. Oesters, drank en liefde gaan ook in het hier besproken schilderij hand in hand.

Met dit meesterstukje evenaart Steen het beste werk van de Leidse fijnschilders Gerrit Dou en diens leerling Frans van Mieris de Oude.11 Alle stoffen en materialen zijn levensecht gesuggereerd: het zachte fluweel en het pluizige bont van het jakje, het fijne kant, de kleurige haarstrik, de reflecties in het glanzende zilver, de matte glans op de aardewerken kan, de vochtige oesters, de frisse jonge huid van het meisje. Zelfs het minuscule barstje in het benen heft van het mes heeft de schilder in beeld gebracht. Met de fijnste penselen is ieder detail op de voorgrond uiterst zorgvuldig uitgewerkt. Daarbij paste hij plaatselijk een techniek toe waarbij hij met de punt van zijn penseel tamelijk snel enkele kleuren door borstelde, natte verf in natte verf, zonder dat die goed mengden.12 Zo kon hij bijvoorbeeld de illusie oproepen van het changeant-effect van stof, zoals de blauw-roze rok van het meisje. Kenmerkend voor Steens manier van werken is dat hij de achtergrondfiguren schetsmatig uitvoerde in tamelijk opake verf. Zo wist hij het oog van de kijker – dat geneigd is zich op de meest gedetailleerde onderdelen te richten – binnen zijn compositie te sturen.13

Het kleine formaat van het paneel, de halfronde bovenkant en de concentratie op slechts één figuur – elementen die voor Steen uitzonderlijk zijn – lijken net als de fijnschildertechniek in wisselwerking met de Leidse meesters gekozen.14 Zo werd de compositie met een door de beeldrand afgesneden tafel, waaraan een in halffiguur weergegeven hoofdpersoon zit, onder anderen door Van Mieris vaker beproefd maar door Steen zelden toegepast.15 In Van Mieris’ Doktersbezoek uit 1657 (Wenen, Kunsthistorisches Museum) bijvoorbeeld zijn de verschillende elementen sterk overeenkomstig.16 Ook het doorkijkje naar een ander vertrek op de achtergrond van de voorstelling heeft Steen waarschijnlijk aan Van Mieris ontleend.

Niet alleen wat de schildertechniek betreft had Steen zich door de Leidse schilders laten inspireren, ook thematisch sluit ‘Het oestereetstertje’ aan bij de toenmalige Leidse schilderkunst. Tot de meest directe voorlopers van Steens voorstelling behoren Dou's uitbeeldingen van meisjes die zich vanuit boogvormige vensters of nissen tot de kijker richten, bijvoorbeeld diens Meisje met fruitmand in een venster (The National Trust, Waddesdon Manor, The James A. de Rothschild Collection). Het lachende meisje dat uit de vensternis naar voren leunt met haar rieten mand biedt niet alleen de vruchten, maar ook zichzelf aan.17 Steen verwerkte de vorm van Dou’s vensternis in de halfronde bovenkant van zijn paneel maar liet de geschilderde architectonische omlijsting weg, waarmee hij de verleidelijke directheid van dit meisje nog wist te vergroten. Door haar desondanks met een kuis bedekte boezem en niet al te uitbundig glimlachend weer te geven, blijft de boodschap subtiel. Het meisje zelf met haar hoge voorhoofd, wat vooruitstekende onderlip en ronde kin zien we vaker terug in Steens schilderijen (vergelijk inv.nr. 779).18 Zij houdt haar hoofd in dezelfde stand en legt door ons aan te kijken rechtstreeks contact. De schilder heeft waarschijnlijk over een voorraad voorbeelden beschikt, waaruit hij kon putten; overigens zonder zichzelf fantasieloos te herhalen.19

Al met al is het aannemelijk dat Steen dit ongedateerde werkje – ongetwijfeld het meest 'Leidse' uit zijn loopbaan – eind jaren 1650 schilderde toen hij in Warmond woonde, onder de rook van Leiden. In Leiden betaalde hij in april 1658 contributie voor het St.-Lucasgilde.20 Steen schilderde in deze jaren omstreeks 1660 een reeks muzieklessen, oestermaaltijden en doktersbezoeken, net als de negen jaar jongere Van Mieris. Er lijkt sprake van een vorm van artistieke wedijver tussen beide meesters, die volgens kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken goed met elkaar bevriend waren. Van Mieris zou dol zijn geweest op Steens ‘boerteryen’, ofwel zijn humor.21 Steen liet liet inspireren door Van Mieris’ buitengewoon verfijnde techniek. Zo kan ‘Het oestereetstertje’ een poging zijn om de sublieme stofuitdrukking van Van Mieris te overtreffen. Diens qua compositie en schilderwijze zeer verwante Oestermaal uit 1661 in het Mauritshuis (inv.nr. 819) is wellicht op te vatten als een reactie op Steens meesterwerk – een schilderij waaraan Van Mieris een echte Steen-grap toevoegde door zichzelf erop af te beelden als lachende heer die de jonge vrouw (zijn echtgenote) oesters aanbiedt, tegen het decor van een imposant hemelbed. Door het gebrek aan gedateerde werken van Steen blijft het moeilijk de volgorde vast te stellen waarin deze schilderijen ten opzichte van elkaar tot stand kwamen en wie in welk geval op wie reageerde.22

Jan Steen en zijn Leidse collega’s schilderden hun intieme taferelen ongetwijfeld voor een clientèle die een bijzondere waardering had voor uiterst verfijnd geschilderde voorstellingen, vol toespelingen op de liefde. Door de intimiteit van de voorstelling, het formaat en de geraffineerde schildertrant heeft dit paneeltje het karakter van een kostbaar kleinood dat uitnodigt om het van heel nabij te bekijken.

Detailgegevens

Algemene informatie
Jan Steen (Leiden 1626 - 1679 Leiden)
‘Het oestereetstertje’
c. 1658-1660
schilderij
818
Zaal 14
Materiaal en technische gegevens
olieverf
paneel
15,1 x 20,4 cm
Opschriften
linksboven, boven de deur: IS
ineen

Herkomst

Veiling Pieter Locquet, Amsterdam, 22 september 1783 (Lugt 3611), nr. 349 (voor 501 gulden aan Van Winter); Pieter van Winter, Amsterdam; zijn dochter, Lucretia Johanna van Winter, 1822; door haar huwelijk aan Hendrik Six van Hillegom (niet in zijn veiling, Amsterdam, 25 november 1851), aan Jan Pieter en Pieter Hendrik Six van Vromade, tot 1899/1905; Jan Pieters zoon, prof. Jan Six, tot 1926; veiling 16 oktober 1928, nr. 45 (voor 190.000 gulden aan Beets voor Deterding); schenking van Sir Henri W.A. Deterding, 1936